Dat de wereld niet duurzaam omgaat met onze leefomgeving is inmiddels overduidelijk geworden bij een grote meerderheid van internationale overheden, de wetenschappelijke wereld, onze nationale overheid en onze provincie. Het ziet er naar uit dat we ons serieus zorgen moeten maken over biodiversiteit, klimaat en de manier waarop wij aan onze energie komen voor verwarming (aardgas) en apparatuur (elektriciteit) in ons huis.

Afnemende biodiversiteit en einde van Gronings gas

Ook al lijken deze bedreigingen geen probleem voor vandaag en morgen, toch kunnen we deze niet blijven negeren, ook al gaat het ogenschijnlijk langzaam. Dat kunnen we ons niet langer permitteren. Behalve een ’gevoelde’ verantwoordelijkheid voor generaties ná ons, zullen we ook moeten reageren op de afnemende biodiversiteit, stijgende gasprijzen en het einde aan het Gronings aardgas. We zullen dus delen van onze huidige manier van leven vroeg of laat moeten aanpassen. Want deze wereldwijde ontwikkelingen zullen ook niet aan het Eemland voorbij gaan.

Duurzaamheid en biodiversiteit is meer dan de mooie omgeving in en om ons Eemland handhaven. Juist in onze groene omgeving hebben wij de mogelijkheid de neergaande biodiversiteit om te buigen naar meer kansen voor flora en fauna. Niet alleen ter verhoging van de recreatieve waarde, maar juist ook om een steentje bij te dragen aan de verbetering van kansen voor een gezond en robuust ecosysteem waarin wij leven.

Logisch gevolg van de eis de klimaatverandering te beperken (CO2-reductie), en dus elektriciteit anders op te wekken, én de beperkte toekomstige beschikbaarheid van aardgas voor verwarming, vereist een aanpassing. En die aanpassing noemen wij de energietransitie.

Daartoe hebben de gemeenten van Nederland zich, bij monde van de VNG, verplicht zelf stappen te zetten o.g.v. de Regionale EnergieStrategie (RES). Daarbij is Nederland in 30 regio’s verdeeld die ieder hun eigen bijdragen zouden formuleren. Ca. iedere twee jaar zouden deze regio’s een volgende versie van de RES vaststellen. Versie 1 van de RES is in 2021 vastgesteld en door (de meeste) gemeenten uiterlijk december 2021 goedgekeurd.

RES 1.0

De eerste versie van de RES richt zich op het landelijk doel 35 TWh/jaar op te wekken in het jaar 2030. Verdere groei nadien zal nog moeten volgen. Voor deze versie van de RES keken de regio’s naar het duurzaam opwekken van energie middels zon (zonnepanelen) en wind (windturbines). Twee vormen van energieopwekking met bestaande technologie, die direct toepasbaar zijn voor marktconforme prijzen. Ieder van de 30 regio’s heeft zich ten doel gesteld zoekgebieden te benoemen waar mogelijk energie valt op te wekken middels zon of wind. De vertaling van deze zoekgebieden in projecten is niet per definitie een taak van overheden. Particulier initiatief krijgt daartbij ook een kans. Sterker, bestaande initiatieven werden al meegecalculeerd in het aanbod per regio. Uiteindelijk was het ’bod’ in v1.0 van de RES-regio Amerfoort een bijdragen van minimaal 0,5 TWh/jaar.

Het Eemland

Al in april 2020 heeft de vereniging Eemland300 een eerste reactie gegeven op de concept-RES. Daarin werden de risico’s benoemd voor landschap en weidevogels van het Eemland. Aansluitend met de landelijke trend werd ook binnen de definitieve RES 1.0 het aantal en omvang van de zoekgebieden voor windturbines drastisch verkleind. Dit werd deels gecompenseerd door een grotere inzet op het oppervlak voor zonnepanelen, met name op daken (i.t.t. zonneweiden). Het totaal van de zoekgebieden van alle regio’s opgeteld, kwam daarbij boven de 35 TWh/jaar uit.

Voorlopige conclusies

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft alle bijdragen van de 30 regio’s geanaliseerd en de bevindingen in een Monitor vastgelegd. Daarin wordt geconcludeerd dat de bijdragen van alle zoekgebieden tezamen het doel weliswaar overstijgt, maar dat er nog vele onzekerheden kleven aan de daadwerkelijke haalbaarheid. Ook werd geconcludeerd dat veel zekerheid werd verkregen door projecten die reeds in gang waren gezet. Ook kon worden vastgesteld dat door meer in te zetten op zon (i.t.t. wind) er een onbalans dreigt in de toch al problematische netcapaciteit. Een ander heikel punt betreft de noodzaak tot meer draagvlak bij bewoners. Aan de klimaattafels is afgesproken dat gestreefd zal gaan worden naar 50% lokaal eigendom van de infrastructuur van nieuwe energieopwekinstallaties. Hetzij in de vorm van lokale commerciële initiatieven, of ook in de vorm van bezit van bewoners middels energiecoöperaties.

Gezien de schaarse ruimte in Nederland zullen toekomstige projecten voor het duurzaam opwekken van energie zich meer dan voorheen moeten richten op meervoudig gebruik van de beschikbare vierkante meters. Denk daarbij aan combinaties van parkeren onder zonnedaken, zonnepanelen i.c.m. recreatievoorzieningen en biodiverse zaadmengsels toegepast nabij en onder verhoogde zonnepanelen.

Tot slot is duidelijk geworden dat de uitdagingen voor het vervolg van de RES 1.0 (2.0 en verder) er niet eenvoudiger op zijn geworden. In Europees verband wordt nu gestreefd naar een CO2-reductie van 55% i.p.v. de eerder geformuleerde 49% in 2030. En ook de laatste ontwikkelingen m.b.t. de Russische inval in Oekraïne zullen hun weerslag vinden in de verdere ontwikkelingen van de nationale energietransitie.

Peter Uitendaal